Twaalf gouden regels voor taalcoaching

1. Praat correct maar eenvoudig (spreek geen ‘kindertaal’).

2. Spreek langzaam.

3. Laat woordgrenzen horen.

4. Ga niet in op dubbele betekenissen van een woord. Als het kopje (om uit te drinken) aan de orde is, begin dan niet tegelijk over een andere betekenis (hoofdje).

5. Vermijd figuurlijk taalgebruik. Dat is niet eenvoudig, onze taal zit er vol mee: “Hoe loopt het bij jullie?”, “Een blik op de klok werpen”.

6. Beperk je tot één onderwerp, duidelijk afgesproken (en eventueel voorbereid). Men weet dan in welke richting de betekenis van woorden en het gesprek gaat.

7. Vermijd dat men met ja of nee kan antwoorden (zonder dat duidelijk is of men de vraag begrepen heeft). Dus niet: “Ben je met de tram gekomen?”, maar: “Hoe ben je hier gekomen?”.

8. Verbeter niet te veel: het gaat om communicatie, om begrijpen. Demotiveer de mensen niet.

9. Maak zoveel mogelijk impliciete correcties. Zeg niet: “Dat doe je fout”, maar herhaal de zin op de juiste manier. Zeg na de opmerking: “Ik maken de afwas”, “O, jij doet de afwas”.

10. Gebruik, bij beginnelingen, verschillende methodieken. Praat niet alleen. Laat mensen gebruiksvoorwerpen tekenen, aanwijzen, beetpakken. Ga daarom eens naar een warenhuis, naar een markt, naar een museum etc. Je kunt ook zeggen wat je doet tijdens een handeling (ik sta op, ik ga zitten, ik geef een hand).

11. Men beheerst een taal sneller passief dan actief. “Hoe heet dat ding (kopje)” is moeilijker dan: “Wijs (temidden van drie voorwerpen) het kopje aan”.

12. Tot slot: staar je niet blind op resultaten. Realiseer je dat communicatie met iemand uit de Nederlandse samenleving voor de betrokkene vaak al veel betekent. Dat vormt de basis voor verdere contacten, integratie en taalverwerving. Besef dat bij het leren begrijpen van het Nederlands, de passieve taalverwerking eerst komt en tijd kost.

Meedoen?

Enthousiast en wil je Meedoen? Meld je aan!
Aanmeldingsformulier